Op 11 oktober organiseerden we met CDS Gent in samenwerking met CD&V Gent een panelgesprek over het M-decreet, wat de voorbije jaren voor veel ophef gezorgd heeft in het Vlaamse onderwijsveld. We hadden het genoegen om Hilde Crevits te verwelkomen, net als zes andere specialisten ter zake. Minister van Onderwijs Crevits verzorgde de inleiding, waarna de zes anderen in debat gingen onder leiding van Wouter Bulckaert (de eindredacteur van Klasse).
Om ze even aan u voor te stellen: Hilde Dhondt is werkzaam bij Ouders voor Inclusie, Matthias Van Raemdonck is projectmedewerker bij Steunpunt voor Inclusie en Hugo Van de Veire is directeur van het Vrij CLB in de regio Gent. Daarnaast was Caroline Van Driessche één van de panelleden, zij is Algemeen directeur van het KBO in Oudenaarde. Bruno Vanobbergen is Vlaams kinderrechtencommissaris en vertegenwoordigt dus vooral de positie van de leerlingen. Tot slot was de adjunct-kabinetschef Leen van Heurck van de minister aanwezig, die het beleid van de minister verdedigde.

Na de inleiding door de gewezen topvrouw van het katholiek onderwijs Mieke Van Hecke was het de minister die het beleid omtrent het M-decreet verduidelijkte. Het decreet is dus voornamelijk gericht op inclusie, elk kind heeft recht op onderwijs en dus niet enkel op zorg. Wat de minister met het decreet wil bereiken is dat een aantal kinderen overstappen van het buitengewoon naar het gewoon onderwijs en ook om de verschillende scholen meer aan elkaar te koppelen. Ze pleitte voor een geleidelijke transitie, zodanig dat steeds meer leerlingen in het gewoon onderwijs terecht komen.
Het eerste schooljaar na de invoering ervan (2015) stapten 15 000 leerlingen over, waarvoor het departement onderwijs 63 miljoen euro voorzag. In 2016 kwamen er nog eens 4 000 bij, in totaal werd er dan 107 miljoen euro geïnvesteerd in de overstap. Ter informatie: het totale budget voor het departement onderwijs is 11,5 miljard euro, de grootste uitgavenpost van de Vlaamse regering. De minister wees erop dat de organisatie vooral door de ouders, scholen en CLB’s moet gebeuren. Tot slot benadrukte ze dat alle stappen in het proces gezet moeten worden in functie van het kind. Problematisch op dat vlak is bijvoorbeeld dat een toelating tot het buitengewoon onderwijs maar twee jaar geldig is, waarna er een nieuwe toelating moet aangevraagd worden. Na die verduidelijking van haar beleid verdween de minister terug naar de Torhoutse heimat.

Daarop volgend kregen alle panelleden de kans om hun grootste bekommernissen omtrent het M-decreet naar voor te schuiven. Dhondt en Van Raemdonck hadden vooral kritiek op het gebrek aan duidelijkheid, er is niet echt een concrete planning of visie bij het decreet. De beperkte financiële middelen zijn problematisch, wat zou kunnen opgelost worden door een integrale benadering waarbij ook het departement welzijn betrokken is. Ook de grote verschillen tussen scholen werden aangeklaagd, een aantal scholen sturen leerlingen door in plaats van zelf inspanningen te doen om het decreet te implementeren. In dat opzicht pleit Van de Veire ervoor dat scholen een juridische verantwoordelijkheid hebben en inspanningen moeten doen om die redelijke aanpassingen te maken die nodig zijn voor de integratie van leerlingen uit het buitengewoon onderwijs. Volgens hem is ook de soms gebrekkige communicatie binnen de scholen een groot probleem.

Caroline Van Driessche vindt dat er te veel uitgegaan wordt van een negatieve visie: eerst moet een kind falen om dan een toelating te krijgen om naar het buitengewoon onderwijs te gaan. Dat zorgde voor spontaan applaus, een gevoelige snaar werd hiermee geraakt. Ze pleitte ook voor haalbare en duidelijke begrippen, in tegenstelling tot de vaak moeilijke termen die gebruikt worden als het over het M-decreet gaat. Tot slot kantte ze zich ook tegen de medische labels die steeds gebruikt worden, die passen volgens haar niet in een inclusief onderwijsbeleid.
Vervolgens pleitte kinderrechtencommissaris Vanobbergen voor een sterkere rechtspositie van kinderen en ouders. Maar al te vaak mondt een zorgbeleid uit in een sanctiebeleid, wat niet positief is voor de kinderen. Volgens hem zorgt  de autonomie van de klassenraad soms voor willekeur, er moet meer continuïteit voorzien worden doorheen de jaren. De leerlingen moeten steeds op dezelfde manier behandeld worden en dus niet overgelaten worden aan de individuele meningen van de betreffende leerkrachten. Daarnaast zorgt armoede vaak voor sociale segregatie, wat een groot probleem is binnen het onderwijs. Het M-decreet kan dat soms versterken, wat niet de bedoeling kan zijn. Tot slot moet er ook aandacht geschonken worden aan nieuwe evoluties in het schoollandschap, de vereilanding van inclusieve scholen moet vervangen worden door solidariteit tussen de scholen.

Als laatste kwam de adjunct-kabinetschef van minister Crevits aan bod, waarbij ze al enkele van de voorgaande kritieken counterde.  De zorgbrede scholen zorgen volgens haar voor een aanzuigeffect, dus die verschillen tussen scholen zijn onvermijdelijk. Het ontbreken van een concrete langetermijnvisie was bewust, om niet te willen polariseren. Het buitengewoon en het gewoon onderwijs zullen naast elkaar blijven bestaan, maar er moeten wel meer leerlingen overstappen naar het gewoon onderwijs. De polarisatie wordt tegengegaan door niet radicaal te willen vernieuwen, maar ook door niet te veel te blijven steken in het verleden. Een geleidelijke transitie is het plan, zonder te snel te willen gaan. Op vlak van middelen komt er nu een nieuw decreet dat voor meer geld moet zorgen voor die transitie.

Daarna kwam de moderator op de proppen met de vaststelling dat er een steeds grotere druk komt te staan op de leerkrachten. Volgens Van Driessche is er een zeer stereotiep beeld van leerkrachten dat moet verdwijnen. De hele school (ouders, directie, leerkrachten en andere partners) moet samenwerken om de redelijke aanpassingen te voorzien in plaats van enkel te focussen op de leerkrachten. Bruno Vanobbergen was het daar zeker mee eens, hij kant zich tegen de individualisering van verantwoordelijkheden. De hele school moet meewerken om de aanpassingen te doen die nodig zijn. Leerkrachten zijn op zich ook te weinig voorbereid, volgens Dhondt. Daarom moeten die andere partners zo veel mogelijk betrokken worden.
Als beginnende leerkracht weet ik uit eigen ervaring dat het heel moeilijk is om veel rekening te houden met de specifieke noden van een aantal leerlingen. In het begin van een carriere als leerkracht ben je er vooral mee bezig om een goede les te geven, wat het belangrijkste is. Daarnaast komen dan nog eens de tijdrovende lesvoorbereidingen, de administratieve rompslomp, het verbeterwerk en nog veel andere zaken. Als je het dan bekijkt, blijft er weinig tijd en energie over om de specifieke noden van enkele leerlingen tegemoet te komen. Daarenboven is het in vakken die maar enkele uren hebben (zoals geschiedenis in mijn geval, dat iedereen maar één of twee uren krijgt) al moeilijk genoeg – vaak onmogelijk – om alle leerstof gezien te krijgen, dus om enkele individuen extra te begeleiden zijn er meer mensen nodig.

Wouter Bulckaert ging verder met de kritiek dat de invoering van het M-decreet een soort van verkapte besparingsmaatregel is van de Vlaamse regering. Bij het Steunpunt voor Inclusie merkt Van Raemdonck dat veel kinderen steeds minder begeleiding krijgen omdat er simpelweg te weinig mensen zijn, voor hem is er dus zeker extra input nodig. Van Heurck pikte daarop in dat een kwart van alle leerlingen (ongeveer 250 000) ondersteuning nodig hebben, waarvoor een extra miljard euro budget zou nodig zijn. Dat is niet mogelijk in de besparingspolitiek die de regering nu voert.
Vervolgens ging het over de zorgcoördinatoren in relatie tot de leerkrachten. De lesgevers hebben weinig tijd om met de zorgcoördinatoren af te spreken, dus loopt de communicatie wat spaak, aldus Van Driessche. Daar pikte de adjunct-kabinetschef op in met de vaststelling dat de taak van de leerkrachten in vraag gesteld moet worden.

Het volgende aspect betrof de grenzen van de inclusie. Het falen in het gewoon onderwijs zorgt voor een verminderd zelfvertrouwen bij de leerlingen die dan naar het buitengewoon onderwijs gestuurd worden. Voor Van Raemdonck is dat niet per se slecht, anders is het vrij moeilijk om te weten wie in het buitengewoon onderwijs terecht dient te komen. Hugo Van de Veire pikte daarop in met de vaststelling dat allochtone kinderen veel vaker in het buitengewoon onderwijs terechtkomen dan autochtone kinderen. Om dat probleem op te lossen zijn er bepaalde brugfiguren nodig die bruggen moeten bouwen tussen ouders-leerlingen en scholen (om onder andere taalproblemen op te lossen). Het CLB moet daar ook een actieve rol in spelen, om in samenspraak met alle andere actoren een juiste keuze te kunnen maken in functie van het kind.
Een laatste aspect was gericht op de toekomst, wat na het inclusief onderwijs? Dhondt en Van Raemdonck gaven aan dat de plaats van afstuderen (gewoon of buitengewoon onderwijs) een verschillende uitkomst genereert, die een grote impact heeft op de arbeidsmarkt. Veel werkgevers gaan sneller iemand aannemen die gewoon onderwijs gevolgd heeft, terwijl een persoon uit het buitengewoon onderwijs beter gekwalificeerd kan zijn. Voor Van de Veire is de overgang van onderwijs naar arbeidsmarkt dus een heel grote uitdaging.

Om de avond af te sluiten, gaf Mieke Van Hecke een soort van overwinningsspeech. Volgens haar is de polarisatie verdwenen, want ouders van kinderen met zorgnoden worden nu eindelijk gehoord. Volgens haar is er meer nascholing nodig voor leerkrachten, die dan beter voorbereid zullen zijn op hun taken. Meer middelen zijn nodig, maar ze vraagt om de bestaande middelen vooral creatief te gebruiken, want het is namelijk de taak van alle betrokken actoren dat kinderen gelukkig zijn. Het is moeilijk om daar iets tegen te hebben.

Jonas Maebe
Vice-Praeses